50 jaar geschiedenis

50 jaar sociale bescherming, dat vieren we!

Het sociaal statuut van de zelfstandigen blaast 50 kaarsjes uit in 2018. 50 jaar aan evolutie, uitbreiding en verbetering van dit statuut. Herontdek de mijlpalen uit de geschiedenis.

1968

1968

Op 1 januari 1968 treedt het sociaal statuut van de zelfstandigen in werking (KB nr. 38 van 27 juli 1967).

De 3 sectoren van verplichte sociale verzekeringen worden samengevoegd (gezinsbijslag, pensioen en sector geneeskundige verzorging van de ziekte- en invaliditeitsverzekering):

Eenmaking van het persoonlijk toepassingsgebied;

Eenmaking van de berekeningswijze van de sociale bijdrage (op grond van de beroepsinkomsten, behalve de geneeskundige verzorging);

Vereenvoudiging van de inning van de bijdrage via de socialeverzekeringsfondsen voor zelfstandigen.

 

De regels over het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen zijn opgenomen in een afzonderlijk koninklijk besluit (KB nr. 72 van 10 november 1967).

1970

Oprichting van het RSVZ (Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen) op 21 december 1970 (Wet van 21 december 1970).
Het RSVZ ontstaat uit de fusie van de RKZ (Rijksdienst voor de Kinderbijslag voor Zelfstandigen) en de RPZ (Rijksdienst voor Pensioenen voor Zelfstandigen).

De opdracht van het RSVZ: het sociaal statuut van de zelfstandigen beschermen - vanaf de aanvang van hun activiteit tot na hun pensioen - om zo bij te dragen tot hun sociaal en economisch welzijn. Daartoe voert het RSVZ een aantal taken uit.

Het RSVZ waakt erover dat de zelfstandigen hun verplichtingen nakomen, door diegenen die zich niet vrijwillig bij een socialeverzekeringsfonds voor zelfstandigen hebben aangesloten, te identificeren. 

Het RSVZ beheert de Nationale Hulpkas, het socialeverzekeringsfonds van het RSVZ. Dit fonds heeft als opdracht de zelfstandigen die geen ander fonds hebben gekozen, ambtshalve aan te sluiten.

Het RSVZ legt ook de pensioenrechten vast.

 

Er komt een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, met een wachttijd alvorens de verzekering te kunnen genieten en een forfaitair dagbedrag (voor de werknemers stemt deze verzekering overeen met een percentage van hun loon).

1970
1976

1976

Modernisering van de wetgeving op de gezinsbijslag met kraamgeld. De toelage varieert volgens het aantal kinderen, hun leeftijd, hun toestand van wees, gehandicapte of kind van een door arbeidsongeschiktheid getroffen zelfstandige.

 

Invoering van de informatie- en begeleidingsopdracht voor de socialeverzekeringsfondsen met betrekking tot het sociaal statuut. 

 

Het systeem van 1956 dat gebaseerd was op de kapitalisatie, evolueert geleidelijk aan naar een zuiver repartitiesysteem. De zelfstandigen genieten een forfaitair pensioen.
 

1981

Het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (art. 52bis van het KB nr. 72) wordt ingevoerd.

Het forfaitair pensioen blijkt ontoereikend om een waardige oude dag voor de zelfstandigen te waarborgen. Bovendien blijkt dat er een groot verschil is tussen het pensioen van de werknemers en dat van de zelfstandigen. Daarom wordt een aanvullende pensioenregeling in het leven geroepen, waarbij de zelfstandigen vrij kunnen aansluiten.
 

1981
1984

1984

Harmonisering van de pensioenstelsels via de "Wet Mainil" (Wet  van 15 mei 1984) volgens drie principes: 

Progressieve overgang van een forfaitair pensioen naar een pensioen dat proportioneel is met de inkomsten;

Begrenzing van de loopbaan tot 40 jaar voor vrouwen en 45 jaar voor mannen;

Progressieve gelijkschakeling tussen mannen en vrouwen (onder meer het overlevingspensioen voor mannen).

1990

Inrichting van een moederschapverzekering die een rustperiode dekt met uitkeringen.
Deze verzekering wordt opgericht in dezelfde periode als die voor de werknemers, met een aantal bijzonderheden:

de duur: maximaal 8 weken;

het bedrag: een forfaitair bedrag per week (voor de werknemers stemt dat bedrag overeen met een percentage van het loon).

 

Oprichting van een facultatief ministatuut voor de meewerkende echtgenoot, met een ziekteverzekering bij arbeidsongeschiktheid en een moederschapsverzekering.
 

1990
1992

1992

Invoering van een vennootschapsbijdrage om het financieel verlies voor het sociaal statuut te compenseren dat veroorzaakt wordt door de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit in een vennootschap.

Het RSVZ krijgt nieuwe opdrachten: de vennootschappen identificeren die zich niet bij een socialeverzekeringsfonds hebben aangesloten en de bijdragen innen van de vennootschappen die aangesloten zijn bij de Nationale Hulpkas, het socialeverzekeringsfonds van het RSVZ.

 

Het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen (adviesorgaan voor de wetgeving op het sociaal statuut van de zelfstandigen) wordt opgericht.
 

1996

Oprichting van een sociale verzekering in geval van faillissement voor de zelfstandigen en de vennootschapsbestuurders (uitgebreid naar de zelfstandigen in collectieve schuldenregeling in 1999).
Zij laat toe om, onder bepaalde voorwaarden, gedurende 6 maanden een forfaitaire vergoeding te genieten.

1996
1997

1997

Invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut van de zelfstandigen om de financiering en het beheer van al zijn takken te versterken.

 

De rustpensioenleeftijd voor vrouwen verhoogt progressief van 60 tot 65 jaar.

2003

Het facultatief ministatuut van de meewerkende echtgenoten, ingevoerd in 1990, wordt verplicht.

Wie dit wenst, kan kiezen voor het maxistatuut dat nagenoeg alle risico's dekt, met onder meer eigen pensioenrechten.

2003
2005

2005

Het facultatief maxistatuut van de meewerkende echtgenoten, ingevoerd in 2003, wordt verplicht (behalve voor meewerkende echtgenoten geboren voor 1 januari 1956). Zij kunnen wel vrijwillig voor dat statuut kiezen.

 

Invoering van een bijdrage die gekoppeld is aan de uitoefening van een publiek mandaat. Dit om het financieel verlies voor het sociaal statuut te compenseren dat veroorzaakt wordt door de niet-onderwerping van de publieke mandatarissen. Het RSVZ krijgt de opdracht om die bijdrage te innen.
 

2006

Voor een beter evenwicht tussen beroeps- en privéleven wordt de moederschapshulp in het leven geroepen: vrouwelijke zelfstandigen krijgen voortaan bij elke geboorte dienstencheques.

2006
2007

2007

Voor een beter evenwicht tussen beroeps- en privéleven hebben zelfstandigen voortaan recht op een verlof, met uitkering, bij adoptie:

Maximum 4 of 6 weken onderbreking van de activiteit volgens de leeftijd van het kind;

Een uitkering (forfaitair bedrag per week) die door het ziekenfonds wordt betaald (voor de werknemers stemt dat bedrag overeen met een percentage van het loon).

 

De verzekering in geval van faillissement breidt uit: de gedekte periode gaat van 6 naar 12 maanden en de bedragen van de uitkering worden naar boven herzien.

2008

Sinds 1964 waren enkel de "grote risico's" gedekt door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de zelfstandigen (heelkundige ingrepen, bevallingen, radiografieën, enz.).

In 2008 worden ook de "kleine risico's" in deze verzekering opgenomen (medische raadplegingen, tandheelkundige verzorging, thuisverpleging, kleine heelkundige ingrepen, geneesmiddelen, enz.). 

2008
2010

2010

De alternatieve hulp om privé- en beroepsleven beter op elkaar af te stemmen, breidt verder uit.

Zelfstandigen die hun activiteit gedurende minstens 4 weken onderbreken met het oog op palliatieve verzorging van een kind, krijgen een forfaitaire uitkering met de bijhorende rechten (het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de start van de onderbreking geeft geen aanleiding tot de betaling van bijdragen en komt in aanmerking voor de berekening van het rustpensioen).

Zelfstandigen die hun activiteit gedurende minstens 4 weken onderbreken door een ernstige ziekte van hun kind, betalen geen bijdrage voor het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de start van de onderbreking en dat kwartaal komt in aanmerking voor de berekening van het rustpensioen.

 

Invoering van een administratieve geldboete bij niet-naleving van de verplichting om bij een socialeverzekeringsfonds aan te sluiten. Het RSVZ krijgt nieuwe opdrachten: het vastleggen van de geldboete en het innen ervan door de Nationale Hulpkas voor de zelfstandigen die erbij zijn aangesloten.

2012

De sociale verzekering ingeval van faillissement breidt uit tot verschillende gevallen van stopzetting buiten de wil van de zelfstandige: natuurrampen, branden, de vernieling door een derde, een allergie.

 

Invoering van een bijzondere bijdrage voor de aanvullende pensioenen van bedrijfsleiders. Die bijdrage valt ten laste van de vennootschappen die deelnemen aan de opbouw van een aanvullend pensioen voor hun bedrijfsleiders. Het RSVZ krijgt de opdracht om die bijdrage te innen.

2012
2014

2014

De vermindering van het rustpensioen dat voor de leeftijd van 65 jaar wordt genomen wordt afgeschaft.

 

Op 1 juli 2014 wordt, in het kader van de 6de Staatshervorming, de bevoegdheid van de gezinsbijslagen overgedragen naar de Gemeenschappen en Gewesten. Als overgangsmaatregel (uiterlijk tot 31 december 2019) wordt het stelsel voor de zelfstandigen en voor de werknemers eengemaakt (met onder meer de afschaffing van het verschil in bedrag voor het 1ste kind) en wordt het beheerd door het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag (FAMIFED).

In uitvoering van deze Staatshervorming worden de kinderbijslagdossiers van de zelfstandigen overgeheveld van de socialeverzekeringsfondsen naar de kinderbijslagfondsen van de werknemers.

2015

De verzekering in geval van faillissement wordt omgedoopt tot "het overbruggingsrecht". Die regeling voorziet een uitbreiding voor de stopzettingen van activiteit door economische moeilijkheden.

 

Invoering van een uitkering "mantelzorg" bij een tijdelijke stopzetting van de zelfstandige activiteit om een naaste te helpen wegens zijn gezondheidstoestand. Deze uitkering vervangt de twee maatregelen die in 2010 werden genomen voor de verzoening tussen beroeps- en privéleven. De uitkering is geïnspireerd op het stelsel van de werknemers, maar omvat enkele bijzonderheden. 

Meer informatie over de uitkering "mantelzorg" 

 

De berekening van de sociale bijdragen van de zelfstandigen wordt hervormd
Vóór 2015, voor de periode na de start van de activiteit, worden de bijdragen van een jaar N berekend op de inkomsten van het jaar N-3. 

Vanaf 2015 worden de bijdragen van een jaar N in twee fasen berekend.
De voorlopige  bijdragen worden berekend op de inkomsten van het jaar N-3. Ze kunnen echter worden verminderd als de geraamde inkomsten voor het jaar N minder zullen bedragen dan die voor het jaar N-3. Ze kunnen ook worden verhoogd als de geraamde inkomsten voor het jaar N meer zullen bedragen dan die voor het jaar N-3.
De definitieve bijdragen worden berekend op de inkomsten van het jaar N.

2015
2016

2016

De minimale pensioenbedragen van de zelfstandigen worden gelijkgeschakeld met die voor de werknemers.

Meer informatie over de pensioenen

 

Het percentage van de sociale bijdragen wordt progressief verminderd van 22 % naar:

21,5 % voor de bijdragen van 2016;

21 % voor de bijdragen van 2017;

20,5% voor de bijdragen van 2018.

Het wordt mogelijk om een vrijstelling van sociale bijdragen te genieten voor het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de bevalling, met behoud van de sociale rechten.
 

2017

Oprichting van een specifiek sociaal statuut voor de student-zelfstandige met een aantal voordelen:

Een voordelig bijdragestelsel voor de zelfstandigen die minder inkomsten hebben dan het minimumbedrag dat in aanmerking wordt genomen voor de bijdragen van de zelfstandigen in hoofdberoep;

Het behoud van de rechten inzake geneeskundige verzorging als persoon ten laste;

De periode van activiteit onder dat statuut wordt, onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking genomen voor de wachttijd die van kracht is in de arbeidsongeschiktheidsregeling.

Meer informatie over het statuut van student-zelfstandige 

 

Verbetering van het moederschapsverlof voor de vrouwelijke zelfstandige:

Verlenging van de duur van de moederschapsrust (van 8 naar 12 weken);

Uitbreiding van het tijdvak om de moederschapsrust te nemen (van 21 naar 36 weken);

Mogelijkheid om de beroepsactiviteit halftijds uit te oefenen tijdens de facultatieve periode van de moederschapsrust. 

Meer informatie over de moederschapsrust

 

Realisatie van de uitbreiding van het overbruggingsrecht (gepland in 2015) voor de stopzettingen van activiteit door economische moeilijkheden.

 

Niet-onderwerping voor de activiteiten uitgeoefend in het kader van de deeleconomie, onder bepaalde voorwaarden (materie in volle ontwikkeling). 
 

2017